Image module

De politieke en economische positie

van de Banda-eilanden vóór 1621 - Roy Ellen

Toen het de Nederlanders, onder leiding van Jan Pieterszoon Coen, eindelijk lukte om de onderwerping van de Banda-eilanden tot stand te brengen, slachtten ze een groot deel van de inheemse bevolking af om hun koloniale plantages te ‘beschermen’. Tegelijkertijd verwoestten ze zo een sociaal en economisch systeem, dat op dat moment waarschijnlijk uniek was in Zuidoost-Azië.

Het is in deze tijd moeilijk om tot in detail boven water te halen hoe het vroeger toeging op Banda. Toch is het mogelijk om, via documentaire bronnen, via wat de overgebleven Bandanezen en hun nakomelingen in hun gesproken geschiedenis hebben vastgelegd en vanuit archeologische, linguïstische en etnografische verbanden, iets van die maatschappij en haar positie in het sociaal-ecologische systeem van de Molukken en de Aziatische wereld te reconstrueren. Het gedocumenteerde materiaal bestaat vooral uit wat de Europeanen – met name de Portugezen, Nederlanders en Engelsen – al over Banda hadden geschreven in de tijd van de periodieke contacten tijdens de zestiende eeuw en meer in het bijzonder in de eerste twee decennia van de zeventiende eeuw. Er zijn ook documenten die veel later aan het licht kwamen, bij de nakomelingen van de oorspronkelijke Bandanezen die naar Oost-Seram waren gevlucht en er zijn ook verwijzingen te vinden in vroege Chinese, Javaanse en andere bronnen.

de spaken van een wiel

De eigenschappen van het economische en politieke systeem op Banda van voor 1621, die de sleutel vormden voor het goed functioneren ervan, kunnen alleen worden begrepen door de ecologie en geografie van de eilanden zelf te onderzoeken, alsmede hun plaats in de context van oostelijk Indonesië in het algemeen. De dynamiek van de seizoenshandel, windpatronen, zeestromingen en de positie van Banda in relatie tot de omliggende eilandengroepen – met elkaar verbonden als de spaken van een wiel – zorgden voor een basis die integraal leidde tot een vroege afhankelijkheid van de economie rond de nootmuskaat en tot de opkomst van Banda als een centrum voor handel. Net zo belangrijk hiervoor waren de verbindingen tussen Banda en Oost-Seram, in relatie tot de bestaande zeeroutes die toegang boden tot de havens van Sulawesi en Java in het westen en China in het noorden. Dit alles zorgde voor gunstige omstandigheden voor de menselijke behoefte om goederen te verhandelen.

De Banda archipel kent zowel vulkanische eilanden als eilanden gevormd door opgestuwd kalksteen. De binnengroep bestaat uit Neira, Banda Besar (Lonthor), Pisang, Karaka en Gunung Api. De buitengroep bestaat uit Hatta (Rozengain), Ai, Nailakka, Run en Manukan, met nog wat kleinere eilandjes. Waar de overwegend losse, vulkanische grond met een goede waterafvoer en het oceaan-klimaat gunstig zijn voor de verbouw en productie  van nootmuskaat, zijn de eilanden verder arm aan mogelijkheden op landbouwgebied. Daar komt nog bij dat ze in de historie regelmatig te maken hebben gehad met uitbarstingen van de vulkaan op Gunung Api en aardbevingen en is er weinig zoet oppervlaktewater te vinden. Er zijn rapporten over langdurige droogte, bijvoorbeeld in 1620; het jaar vóór het bloedbad. Al deze factoren hebben zeker de mogelijkheden voor bewoning en de biodiversiteit negatief beïnvloed en kunnen als een nadeel worden gezien. Zeker voor een plek die zo afhankelijk was van de handel in en productie van specerijen. De risico’s moeten echter gezien worden in relatie tot de voordelen: de locatie op zichzelf, de centrale plaats ten opzichte van andere handelscentra en enkele voor het grootste deel betrouwbare en veilige havens. Endemisch vulkanisme was ook een probleem voor andere producenten van specerijen op de Molukken als Ternate en Tidore, net zoals tekorten aan zoet water en overstromingen op bijvoorbeeld Oost-Seram. Deze plaatsen wisten echter korte-termijn oplossingen te ontwikkelen om met deze problemen om te gaan, zoals tijdelijke volksverplaatsingen en ze konden rekenen op uitwisseling van goederen en dergelijke tussen de eilanden onderling en op steeds wisselende politieke allianties. Zo konden ze hun centrale status ook op de lange termijn handhaven. Onder de moderne omstandigheden, met nieuwe zaken als een permanente infrastructuur en vastgelegde staatsvormen, is deze flexibiliteit afgenomen.

Image module

Gezicht op Neyra, door Cornelis Vingboons, 17e eeuw (coll. Rijksmuseum, Amsterdam)

oudste relaties

De archeologische onderzoeken van Banda maken aannemelijk dat de eerste menselijke bewoning van de eilanden plaatsvond rond 1800-1200 voor Christus, dat zijn tenminste de oudste koolstofdateringen van opgegraven keramiek. We weten van vroege historische bronnen ook dat er in elk geval vanaf de eerste Europese contacten tot aan 1621 aardewerk werd geproduceerd op Banda. Dit werd bijvoorbeeld geëxporteerd naar Gorom bij Oost-Seram. Dit aardewerk bevatte de kenmerkende samenstelling met vulkanische as van de grond op Banda. Gegeven de hoge vulkanische activiteit op Banda en geen vermeldingen daarvan op Grom en Aru, is dit een sterke indicatie van de uitvoer van keramiek vanaf Banda naar het noordoosten en zuidoosten. Dit is al een indicatie voor een culturele band van Banda met Oost-Seram, maar het meest overtuigende bewijs voor die band is linguïstisch. De taal die nu langs de kust van Seram wordt gesproken, lijkt sterk op wat we kennen van het oud-Bandanees. Hoewel die taal van de Banda-eilanden zelf verdween na 1621, wist een aangepaste versie te overleven op diverse plaatsen op de Kei-eilanden, waar veel Bandanese vluchtelingen terecht zijn gekomen. Zowel het oud-Bandanees als de kusttaal van Seram zijn afgeleid van een taal die we kunnen reconstrueren als proto-Bandanees. Daarmee zijn de linguïstische indicaties consistent met de geophysische verbanden tussen Banda en Oost-Seram, die voortkomen uit de heersende zeestromingen en windrichtingen. Dit wijst erop dat de eerste bewoners van Banda arriveerden vanuit de buurt van Oost-Seram rond 1800 voor Christus en mogelijk al eerder. Dat verklaart ook waarom Oost-Seram, samen met diverse plaatsen op de Kei-eilanden, een toevluchtsoord werd voor de Bandanese vluchtelingen in en na 1621. Toen na het bloedbad de handelsrelaties tussen Banda en Oost-Seram uiteindelijk werden hersteld, gold dat ook voor de sociale relaties tussen groepen Bandanezen op Oost-Seram en de nederzettingen waarvan ze oorspronkelijk afkomstig waren. Hun onderlinge relaties zijn vastgelegd in de taal van het Adat en blijken onder meer ook uit de ‘heruitvinding’ van vele tradities.

Image module

Gezicht op Banda en de Gunung Api (coll. Atlas van Stolk, Rotterdam)

Eerste handel en grondstoffen

De as die Banda met de archipel rond Oost-Seram en van daaruit de kust van Nieuw-Guinea verbindt – de Banda-Onin corridor – vormde de sleutel voor het ontstaan van de gespecialiseerde handelseconomie van het Banda-systeem. Zowel Seram als Banda waren belangrijke spelers in de handelsbetrekkingen tussen Nieuw-Guinea en de rest van de wereld. In de vijftiende eeuw hadden kleine politieke domeinen op Oost-Seram en Seram Laut, zoals Kataloka, Kilwaru en Keffing, bijvoorbeeld bestendige verbindingen en goede handelsbetrekkingen met grote gebieden langs de zuidelijke en westelijke kust van Nieuw-Guinea. Het lijkt erop dat er in verschillende perioden in hun geschiedenis, ook in verschillende grondstoffen en producten werd gehandeld. De oudste handel was waarschijnlijk die in vogelveren – inclusief die van de paradijsvogel – omdat daarvan afbeeldingen zijn gevonden op antieke bronzen trommels uit de regio. De legale én illegale handel in vogelveren bestaat zelfs nog tot nu toe op de Banda-eilanden. Dit is zichtbaar in het hedendaagse gebruik van vogelveren uit Nieuw-Guinea in Bandanese ceremoniale maskers en hoofdtooien.
De grondstof echter die voor een omwenteling zorgde, was ongetwijfeld de nootmuskaat (Myristica), zowel de harde noot zelf als de gedroogde schil die we kennen als foelie. In het wild zijn er diverse soorten van dit geslacht te vinden in de bossen van Nieuw-Guinea en delen van de Molukken, waarvan de noten soms worden geoogst, aangeplant en verhandeld. De zogenaamde ronde nootmuskaat (Myristica fragans) wordt al verhandeld met India en het gebied rond de Middellandse Zee vanaf het jaar 1000 voor Christus en met China vanaf de vijfde en zesde eeuw voor Christus. De handel in een andere soort, de lange nootmuskaat (Myristica argentea), is misschien nog ouder en deze wordt nog steeds verbouwd op Gorom en de omliggende eilanden. Het was echter de verbouw van de ronde nootmuskaat op speciaal aangelegde plantages, die de economie van Banda ingrijpend veranderde. Diverse variëteiten van deze soort kregen in China, India en Europa de voorkeur boven de lange nootmuskaat en dit bevorderde de verdere ontwikkeling van de plantages.

Image module

Nootmuskaat (coll. British Library, London)

Een gespecialiseerde economie

Terwijl de inheemse Bandanese nootmuskaat plantages groeiden, verdrongen ze de plaatselijke productie van levensmiddelen. De Bandanezen werden steeds afhankelijker van de import van van voedsel en andere producten vanaf Seram, Seram Laut, Aru, de Kei-eilanden en andere plaatsen langs de spaken van het Bandanese handelswiel. De geïmporteerde producten omvatten met name zetmeel uit sago (Metroxylon sagu) en bladeren en stelen van de sago palm voor het bouwen van huizen en hutten. Tegen de tijd dat de eerste Europeanen arriveerden, werd het grootste deel van de archipel in beslag genomen door de nootmuskaat plantages, met uitsluiting van vrijwel alle overige vormen van landbouw. Er stonden alleen nog nanari bomen (Canarium indicum) tussen de nootmuskaatbomen, die zorgden voor schaduw, waardevolle proteïnerijke noten en olie. Anders dan op andere delen van de Molukken, waar kokospalmen een veel gebruikte bron van keukenolie vormden, was hun grotendeels ontbreken op Banda de reden dat hier olie van zowel de nanari als de nootmuskaat werd gewonnen. De rest van de economie was vooral op de zee georiënteerd: visvangst voor zowel eigen consumptie als export en de opbrengsten uit de handelsposten.
Hoe was deze gespecialiseerde economie, met een centrale rol voor Banda, sociaal en politiek gezien tot stand gekomen? De voordelen van de centrale ligging en aanwezigheid van handelshavens speelden natuurlijk een belangrijke rol, evenals de gunstige omstandigheden voor de verbouw van nootmuskaat. Opmerkelijk is echter dat de infrastructuur voor productie en handel niet ontstonden onder invloed van een centraal staatsbestel. De Banda-eilanden vormden geen staat, noch gold dat voor de samenstellende delen. Het maakte nooit aanspraak op grondgebied, noch oefende het conventionele politieke macht uit over mensen of middelen, behalve over slaafgemaakten. Er waren geen sultanaten zoals die ontstonden op de noordelijke Molukken zoals Ternate en Tidore, met controle door een enkele machthebber. Alles functioneerde met een verdeeld systeem van macht, verspreid over een groot aantal kleine, politieke domeinen. Deze domeinen waren in essentie onafhankelijk, zonder dat er iets als een federatie bestond van meerdere eilanden, laat staan de hele archipel. Hoewel er soms bloedige vetes optraden tussen de diverse domeinen, met inbegrip van koppensnellen, wisten ze ook goed samen te werken om gezamenlijke doelen te bewerkstelligen. De domeinen onderhielden echter wel banden met verwante domeinen in andere delen van de Molukken, via het gezamenlijke lidmaatschap van respectievelijk de Uli Fito (‘Zeven’), Uli Siwa (‘Negen’) en Uli Lima (‘Vijf’) confederaties. Dit waren groeperingen, gebaseerd op gedeelde gewoonten, tradities en allianties. Deze confederaties werden van tijd tot tijd ritueel heropgericht, als reactie op natuurrampen en conflicten en om de gemeenschappelijke handel te ondersteunen. Hoewel de sultans van Ternate in diverse perioden beweerden macht te hebben over Banda en sommige Bandanese domeinen hen af en toe eer bewezen, was dit nooit te vertalen als het effectief uitoefenen van controle.

Image module

Feestelijkheden op Banda van Bandanezen en hun bondgenoten (coll. Atlas van Stolk, Rotterdam)

poortwachters en tussenpersonen

Rond de tijd van de eerste contacten met het Westen bestonden de Bandanese domeinen uit onder meer Labetaka (Lautaka) en Neira op het eiland Neira en Lonthor, Orantatta, Ratu, Kombir, Selamon, mogelijk Dender, Waer, Lautung, Uring en Ai, Run en Rozengain op afzonderlijke eilanden. Het is echter niet makkelijk om het precieze aantal domeinen vast te stellen, of om de namen van domeinen te onderscheiden van de fysieke nederzettingen. Noch de domeinen, noch de nederzettingen waren van gelijke grootte of van gelijk politiek belang. Hoe belangrijk ze waren, was mogelijk ook aan verandering onderhevig. In 1601 lijkt Neira bijvoorbeeld Lonthor te hebben overvleugeld als handelscentrum.

Elk domein werd bestuurd door in het Maleis orang kaya genoemde oudere mannen, die bruikbare politieke connecties hadden met plaatsen binnen het Bandanese handelswiel. Zij waren ook de poortwachters van andere handelscentra tussen Banda en het Maleise schiereiland. Als tussenpersonen waren de orang kaya in staat om de middelen voor uitwisseling en productie te beheersen en ze hadden in het bijzonder de macht om de exporthandel te organiseren. Hierbij werden ze geassisteerd door ondergeschikte syahbandars, ofwel havenmeesters. In het begin van de zeventiende eeuw wordt hun bestaan vermeld op Labetaka, Neira, Lonthor, Orantatta, Ratu, Kombir, Run en Ai. Sommige domeinen onderhielden ook handelsagentschappen elders, bijvoorbeeld in Makassar en Malakka, terwijl Makassar ook een handelsagent op Banda had. Bij tijd en wijle leken de domeinen constant op voet van oorlog met elkaar te verkeren, maar op andere tijden onderhielden ze relaties die goed genoeg waren om samen te werken bij hun gezamenlijke belangen in de handel en het omgaan met buitenstaanders.

Image module

De Banda archipel, toegeschreven aan Johannes Vingboons (coll. National Library of Austria)

koningen noch heren

Hoewel, zoals António de Brito opmerkte in 1522, ‘ze koningen noch heren kenden’, is het twijfelachtig of de beschrijving van de Bandanese domeinen als ‘dorpsrepublieken’ en hun leiders als een ‘koopmansaristocratie’, zoals sommige geleerden doen, wel helemaal terecht is. Zo schijnen er volgens de Europese bronnen altijd meer orang kaya te zijn geweest dan nederzettingen of domeinen, met wisselende aantallen in de vermeldingen. Een wat meer plausibele uitleg is dat de orang kaya werden gekozen uit zowel de bestuurders van de domeinen als uit de stamhoofden van de diverse clans, vergelijkbaar met hoe de matlaen van Oost-Seram in die tijd en tot nu toe werden aangesteld. Sommige stamhoofden waren zo in staat om zichzelf te verrijken op basis van hun traditionele autoriteit, in plaats van dat ze handelaren waren die uitgroeiden tot figuren met politieke macht. De belangrijkste orang kaya versterkten mogelijk hun positie door zich te bekeren tot de Islam, of doordat huwelijken werden gesloten tussen plaatselijke vrouwen uit de hogere kringen met handelaren die zich vanuit Java of elders op Banda vestigden. Dit patroon komt meer overeen met wat we weten over de vroegste politieke systemen op de centrale Molukken en in het bijzonder over de kleine, onafhankelijke staatjes op Oost-Seram en Seram Laut. Die laatste waren in staat om een veel grotere commerciële macht uit te oefenen dan je op grond van hun grootte zou verwachten. Dit dankzij hun geografische positie en hun vermogen om de handel te beheersen tussen de omgeving van Nieuw-Guinea en plaatsen verder in het westen. De dubbelzinnigheid van de term orang kaya is nog versterkt doordat het uiteindelijk ook een officiële titel werd in het systeem van rangen in delen van de Molukken in de tijd van de VOC en de latere koloniale periode.

Als we uitgaan van het systeem op Oost-Seram, zou elk Bandanees domein hebben bestaan uit een aantal door huwelijken verbonden, patriarchaal geleide, landbezittende clans of families. We weten dat elk domein een raad van ouderen kende met daarin waarschijnlijk vertegenwoordigers van de diverse clans en families. Deze raden van ouderen bestonden om ceremonies te organiseren, de rechten op nootmuskaatplantages en nanaribomen te beheren en om moskeeën te onderhouden en visrechten te verlenen. Iedere stam, familie of clan bezat ook tot slaaf gemaakten, die vooral werden geïmporteerd via de banden met Oost-Seram (vanaf Papua) en de Aru-eilanden. Er bestaat bewijs dat de hoofden van rijke clans ook huwelijken sloten met clans van elders, vooral die van de domeinen op Oost-Seram. Sommige Bandanese domeinen van vóór 1621, leven tot op de dag van vandaag voort in de namen van verwante groeperingen op Oost-Seram als Kotabanda, Rumadan, Kasongat, Namasawar en Soleman.

Image module

Al in de 16e eeuw waren de Portugezen op Banda. Hier wordt Egeron, een leider op Banda, gevangen genomen door de Portugese soldaten (coll. Atlas van Stolk, Rotterdam). Ets door Reinier Vinkeles in De Hollandse Natie, 4e zang van Jan Frederik Helmers

het netwerk van de Banda Zee

Op deze manier speelde de archipel een belangrijke rol in het verspreiden van de handel in een groot gebied rondom de Banda Zee. De toenemende specialisatie in de productie van nootmuskaat leidde tot een bijbehorende, toenemende afhankelijkheid van de import van voedsel en overige goederen. Hoewel, zoals Antonio Pigafetta meldt, de buitenste eilanden de rest van de eilanden mogelijk van enige sago wisten te voorzien, werd de meeste sago ingevoerd vanaf Oost-Seram, Seram Laut, Gorom, Kei, Aru en mogelijk Nieuw-Guinea. Volgens de Portugese wetenschapper en diplomaat Tomé Pires was sago zelfs een ‘soort van betaalmiddel’. Banda importeerde ook gedroogde vis en zout uit andere plaatsen rondom de Banda Zee en rijst uit Java en Bali. Daarnaast werd ook timmerhout naar Banda verscheept, vooral ten behoeve van de scheepswerven. Er bestond ook een levendige handel in slaafgemaakten en handelaren van overal rond de Banda Zee arriveerden op Banda om geweven stoffen, goud, katoen en ijzerwaren te kopen, afkomstig van de West-Indische archipel. Onder de verhandelde goederen bevonden zich batiks uit Java, calico uit India, porselein uit China en gongen en ijzerwaren uit Bali. Er bestond ook een handel in kruidnagelen, afkomstig van de noordelijke Molukken.
Vergeleken met andere Molukse volkeren uit die tijd, vervaardigden de Bandanese botenbouwers in de zestiende en vroege zeventiende eeuw grote vaartuigen voor de handel en daarnaast flinke kano’s met dubbele uitleggers (kora kora), die gebruikt werden als oorlogsschepen. Ze navigeerden intensief door heel Zuidoost Azië en voeren naar Makassar, Java en zover westelijk als Johore en Malacca. Hierdoor waren ze zeker niet volledig afhankelijk van de scheepvaart uit Sulawesi, Java of het Maleise schiereiland. Bandanese schepen met exportproducten aan boord, voeren in april met de oostelijke mousson via Sulawesi naar havens op de noordelijke kust van Java. Ze keerden terug in mei/juni met de westelijke moesson via Bali en Nusa Tenngara tot Timor en dan verder naar Banda. Een lambo, een zeilboot met Europese tuigage, deed rond 1980 benedenwinds twee weken over de tocht van Banda tot Surabaya. Het is niet waarschijnlijk dat de tocht in de zeventiende eeuw langer duurde.

Image module

De kora-kora, het handels- en oorlogsschip van de Bandanezen (coll. Rijksmuseum, Amsterdam)

internationaal en dynamisch

Het feit dat de naam Banda (Wandan) waarschijnlijk is afgeleid van de Perzische term voor marktplaats, terwijl het woord pala (nootmuskaat) afkomstig is uit het Sanskriet, wijst op langdurige relaties met het buitenland en op wijd verspreide, internationale handel. De handelaren die de Europeanen op Banda ontmoetten waren onder meer Javaans, Buginees, Maleis, Chinees en Arabisch. Ongetwijfeld zijn er door de eeuwen heen steeds verschuivingen geweest in het patroon van de handelsrelaties. Chinees aardewerk is bijvoorbeeld op Neira alleen aangetroffen in archeologische lagen uit 500 to 800 voor Christus, maar duikt op Banda regelmatig weer op na de tiende eeuw. Dit wijst op een dan weer groeiende en dan weer dalende handel met China. Zo is er in het begin van de zestiende eeuw veel aardewerk en keramiek uit China, Vietnam en Thailand te vinden op Banda. Uit archeologisch onderzoek blijkt zelfs dat rond het jaar 1600 er meer geïmporteerd dan lokaal vervaardigd aardewerk te vinden was. Het is duidelijk dat de vijftiende en zestiende eeuw een tijd van verandering waren, wat deels blijkt uit het opduiken in die periode van de eerste versterkte kustplaatsen, bergforten en ommuurde nederzettingen op Neira.

Aan het eind van de vijftiende eeuw arriveerden de eerste Arabische handelaren. Hoewel er in die tijd al veel Bandanezen moslim waren geworden, vooral orang kaya and syahbanda, is het waarschijnlijk dat er ook een paar veel oudere moslimgemeenschappen bestonden. Maar toen de Europeanen arriveerden blijkt duidelijk uit de bronnen dat er nog heel veel belijdende animisten waren en dat velen die in naam moslim waren, er ook nog animistische gewoonten op nahielden. Labataka op Banda Besar was bijvoorbeeld nog overwegend niet islamitisch. Aangetroffen varkensbotten en gecremeerde menselijke resten uit diverse opgravingen wijzen op animisme, waar het verdwijnen van varkensbotten uit opgravingen daterend uit het eind van de zestiende eeuw wijst op het tegendeel. De stijgende invloed van de islam was ongetwijfeld een gevolg van de handel met het ‘verre westen’ en van de wereldwijde vraag naar nootmuskaat. Een ander gevolg van de handel was de grote etnische diversiteit onder de plaatselijke handelaren. Tegen het jaar 1609 kenden de eilanden net zoveel Bandanese als niet-Bandanese inwoners; mensen uit de andere Molukken, India, Maleisië en China. En vooral uit Java: er woonden maar liefst 1500 Javaanse handelaren. De Nederlanders beschreven Banda zelfs als in essentie Javaans. Hoewel de aanwezigheid van Europeanen nieuw was voor de eilanden, bestaat er voldoende archeologisch en historisch bewijs dat Banda geen statische en homogene gemeenschap was. Banda was toen al eeuwenlang een ‘dynamische maatschappij in een omgeving met veel culturele uitwisseling’ (Lape), sterk beïnvloed door de vroege contacten met internationale handelaren.

handelspartners en contracten

We mogen concluderen dat de handel met het Nabije Oosten, China en het gebied rond de Middellandse Zee al sinds mensenheugenis een sterke invloed hebben gehad op die delen van de Molukken waar nootmuskaat en kruidnagelen werden geproduceerd. Het leidde zelfs tot een transformatie van de economie. Toen de eerste Europese handelaren in 1512 arriveerden, in de persoon van de Portugees Antonio de Abreu, leidde dat in eerste instantie niet tot een verstoring van de bestaande handelsrelaties. De Portugezen hadden geen permanente basis en de Bandanezen gingen gewoon door met het produceren en verhandelen van nootnuskaat, met weinig invloeden van buitenaf. Ze hadden een voorkeur voor Aziatische handelspartners, die gewend waren aan hun stijl van onderhandelingen. Met als kenmerk dat over iedere transactie apart onderhandeld werd, in plaats van contracten af te sluiten voor de lange termijn. Hoewel de Bandanezen openlijk vijandig stonden tegenover de Portugezen, paste hun stijl van handelen beter bij de Portugezen dan later bij die van de Nederlanders. Ondertussen bleven de prijzen voor nootmuskaat en foelie flink stijgen, terwijl de specerijen hun weg naar het Westen vonden. Daardoor werd het voor de Europeanen steeds profijtelijker om de Aziatische tussenpersonen uit te schakelen. Toen Malakka in 1511 in Portugese handen viel, had dat een sterke verstoring van de handel in specerijen en hun prijzen als gevolg. De zestiende eeuw kende in toenemende mate politieke destabilisatie. Dit leidde op de Molukken rond 1570 tot een alliantie tussen Bandanese domeinen en Ternate, om samen op te kunnen treden tegen de toenemende Europese invloed.

Toen de Nederlanders, onder het commando van Jacob van Heemskerck, voor het eerst op Banda landden, maakten ze kennis met een systeem waarbij honderden kleine, individuele handelaars kleine hoeveelheden nootmuskaat en foelie verhandelden. Dit vonden ze een lastige manier van werken. Dus besloten ze de handel op een meer commerciële wijze aan te gaan pakken, zodat ze meteen de belangen van de VOC boven die van de Aziatische en de andere Europese kooplieden konden stellen. De Nederlanders raakten gefrustreerd door de vele schommelingen in prijs, problemen rond maten en gewichten en rond smokkel, fraude en de kwaliteitscontrole. Daarom neigden ze ertoe om vooral in te kopen bij Chinese en Arabische tussenpersonen. Rond 1602 hadden ze net het monopolie op contracten bij bepaalde orang kaya weten te verwerven, maar verdwenen ze vervolgens voor een aantal jaren uit beeld. Toen ze in 1605 terugkeerden, werden die contracten vernieuwd en werd een meer permanente aanwezigheid gevestigd, met op Banda wonende factoren, vaste pakhuizen en andere gebouwen. Later werden die omgebouwd tot een versterkte vestiging, bemand door een vast garnizoen, op Neira. Tegen die tijd waren de Porugezen in de praktijk buiten beeld geraakt. Handelaren van de Engelse Oost-Indische Compagnie hadden zich inmiddels gevestigd op Ai, in 1601, en daarna ook op Run. De rivaliteit op het gebied van handel werd al snel gevolgd door openlijke conflicten, eerst tussen de Nederlanders en de Bandanezen (met vooral gevolgen voor de Bandanezen) en daarna ook tussen de Nederlanders en de Engelsen (met veel grotere, wereldwijde gevolgen).

Image module

Handelspost op Banda. Uit ‘De tweede schipvaart der Nederlanders naar Oost-Indie onder Jacob Cornelisz.van Neck en Wybrant Warwijck, 1598-1600’ (coll. Rijksmuseum)

vernield en opnieuw opgebouwd

Uiteindelijk leidde de weigering van de meeste Bandanezen om zich aan de voorwaarden en contracten te houden die de Nederlanders verwachtten en eisten, samen met een toenemende schuldenlast en aanvallen op de vestiging op Neira, tot de Nederlandse vergeldingsaanval en bloedige wraakneming in 1621. Daarbij werden ook tussen de 44 en 48 orang kaya vermoord (het aantal varieert bij de diverse bronnen) en van de bestaande bewoners vluchtten er velen naar Makassar, Kei, Aru, Oost-Seram, Seram Laut en andere plaatsen. Van de totale inheemse bevolking van 15.000 mensen overleefden er nauwelijks 1000, waarschijnlijk vooral vrouwen en kinderen en bewoners van de minder toegankelijke, buitenste eilanden. Medestanders op Seram Laut zonden in 1624 een vloot van kora kora naar Banda, om de overgebleven inheemse bevolking te evacueren. Hoewel er een klein aantal Bandanezen achterbleef, of gedwongen werd terug te keren vanuit Batavia en Makassar, werden de Nederlanders geconfronteerd met de noodzaak om opnieuw een goed functionerende maatschappij op te bouwen. Dit om hun belangen in de verbouw van nootmuskaat te behartigen. Om dat te doen moesten ze in de praktijk het systeem dat ze hadden afgebroken weer opbouwen. Gebrek aan voedsel en andere bestaansmiddelen die nodig waren om een nieuwe bevolking en een landschap dat werd gedomineerd door nootmuskaatplantages in stand te houden, maakten het voor de Nederlanders noodzakelijk om de dynamiek van het economische systeem van Banda te herstellen. Simpelweg om tegemoet te kunnen komen aan de behoeften van de kolonie. Daarvoor was het onder meer nodig om de realtie met Oost-Seram in elk geval voldoende te verbeteren om de import van sago weer veilig te stellen. Dus ook na de Nederlandse bezetting, kon Banda nooit los worden gezien van het uitgestrekte, regionale systeem waarin de archipel het punt was waar alles om draaide. Gelukkig werd de kwetsbaarheid van het milieu en de ecologie royaal gecompenseerd door het belang van Banda als handelscentrum, in het bijzonder in relatie tot Oost-Seram. Het is ironisch te noemen dat in de negentiende eeuw Oost-Seram en de omringende eilanden werden opgenomen in de dan op Banda gevestigde administratie en bestuursvorm. Zo is Banda uiteindelijk herenigd met haar historische, culturele en economische verwant.

Image module

De moord op de Bandanese Orang Kaya in 1621. Schilderij in het museum op Banda, Rumah Budaya